Home » Publications » Sammlung geologischer Führer » Aachen und nördliche Umgebung
 
New
 

Roland Walter:

Aachen und nördliche Umgebung

Mechernicher Voreifel, Aachen-Südlimburger Hügelland und westliche Niederrheinische Bucht

2010. 214 Seiten, 76 Abbildungen, 77 Farbb. , 20x14cm, 400 g
Language: German

(Sammlung geologischer Führer, Band 101)

ISBN 978-3-443-15087-7, brosch., price: 25.90 €

in stock and ready to ship

Print order form

Inhaltsbeschreibung
top ↑

Dieser neue geologische Führer für Aachen und seine weitere nordwestliche und nordöstliche Umgebung gibt Einblick in die Gesteinswelt der Deckgebirgsschichten am Nordrand der Eifel und Nordost-Ardennen. Er behandelt das Triasgebiet der Mechernicher Voreifel, die Kreidetafel des Aachen-Südlimburger Hügellandes und die tertiär und quartärzeitlichen Lockersedimente der Westlichen Niederrheinischen Bucht.

Einer allgemeinen Einführung in die Geologie der Region folgt die Beschreibung von 7 Exkursionsrouten. Einführung und die Beschreibungen der Exkursionspunkte sind durch Kartendarstellungen, Tabellen und Profilskizzen ausführlich illustriert. Ein umfangreicher Farbbildteil ergänzt den Inhalt. Am Ende des einführenden Kapitels finden sich Hinweise auf weiterführende Literatur. Für jede Route sind die passenden topographischen und geologischen Karten genannt. Das Aufsuchen der einzelnen Exkursionspunkte wird durch Übersichtskarten, Kurzbeschreibungen des Zugangs und durch die Angabe ihrer Koordinaten erleichtert.

Der Band informiert über Aufschlusslokalitäten, an denen die Gesteine, ihre Fossilien und der Strukturbau des geologischen Untergrunds studiert werden können, und die auf diese Weise Aufschluss geben über den geologischen Werdegang der Region. An ausgewählten Aussichtspunkten erläutert er den unmittelbaren Zusammenhang zwischen dieser erdgeschichtlichen Entwicklung und dem heutigen Landschaftsbild. Dieser Band wendet sich nicht nur an professionelle Geowissenschaftler und Studierende der Geowissenschaften. Zielgruppen sind auch an der Landschaft interessierte Wanderer und Spaziergänger.

Bespr.: Aachener Zeitung/Aachener Nachrichten 26.02.2010 Nr. 48
top ↑
Wer genau wissen will, aus welchen Gesteinsschichten der Boden unter Aachen besteht, wie die Aachener Thermalquellen erdhistorisch entstanden sind oder auf welche Weise sich die Landschaft um die Stadt herum aufgefaltet hat, der ist gut beraten mit dem neuen Buch von Professor Roland Walter zu Aachen und Umgebung.

Wenn der frühere Inhaber des Lehrstuhls für Geologie und Paläontologie und ehemalige Rektor der RWTH erzählt, spürt man seine Begeisterung für das Fach. „Wenn wir etwas von der Natur verstehen wollen, müssen wir die Dimension der Zeit einbringen, also die Entwicklung berücksichtigen“, meint der Geologe.

Walter hat sich ausgiebig mit der Landschaft in der Region der östlichen Euregio Maas-Rhein beschäftigt. „Wir Aachener haben alles, alle Etappen der Erdgeschichte ganz nah beieinander“, schwärmt der Geologe und zählt verschiedenes auf. Da wären „sehr alte Sachen“, wie die Schiefergebirge der Eifel. Aus dem Erdmittelalter stammen Hügellandschaften wie das Mergelland oder der Aachener Wald. Durch Überflutung entstanden Moore und dann Braunkohleablagerungen. Später kamen Flüsse und brachten Kies mit sich.

Das trotz Taschenbuchformat schwergewichtige Werk gibt in seiner Einführung ein Zeitgerüst für die Entstehung der Erdformationen an, denn, so Walter: „Wer kann sich schon 600 Millionen Jahre vorstellen“. Sein Fachbuch sei auch für interessierte Laien geeignet, sagt Walter. Er hat zwölf Wandertouren durch die Region beschrieben. Einige Farbfotos in der Mitte des Buches sowie viele Zeichnungen veranschaulichen seine geologische Analyse. Der Leser wird nicht nur auf den Felsen unter der Adalbertkirche aufmerksam gemacht und kann so im Vorbeigehen mitten in der Stadt Erdgeschichte erleben. Steinbrüche, Täler und Felserhebungen in der Region kann er ebenfalls aufsuchen und sich mit Hilfe des Buches selbst überzeugen, wie alles zusammenhängt. Der Leser muss sich allerdings durch eine ganze Menge Fachausdrücke wühlen.

(jk)

Aachener Zeitung / Aachener Nachrichten 26.02.2010 Nr. 48

www.az-web.de

Rezension: sprekende bodem Jaargang 54, nummer 2, 2010
top ↑

Velen zullen het grotendeels oranje gekleurde boekwerkje ‘Sammlung geologischer Führer, Band 48: Aachen und Umgebung, Nordeifel und Nordardennen mit Vorland’ van Dieter Richter kennen, dat voor het eerst uitkwam in 1969 en voor het laatst verscheen in 1985, in bewerkte vorm. Voor wie nog geïnteresseerd is in deze publicatie – ze is nog te verkrijgen voor € 25, maar feit is wel dat de informatie voor de locaties verouderd is. In de veertig, respectievelijk 25, jaar die verstreken zijn sinds de eerste en laatste druk, is er veel veranderd. Nu is er een nieuwe uitgave voor dit geologisch zeer interessante gebied. Telde het originele boekwerkje van Richter nog iets meer dan 300 pagina’s, de nieuwe schrijver, Roland Walter, professor geologie en paleontologie aan de RWTH Aachen, heeft het wat uitgebreider gedaan. Dit had tot gevolg dat er nu twee werkjes liggen:

Walter, R. (2010a). Sammlung Geologischer Führer. Band 100: Aachen und südliche Umgebung, Nordeifel und Nordost-Ardennen, viii + 360 pp. (ISBN 978-3-443-15086-0), € 29,90.

Walter, R. (2010b). Sammlung Geologischer Führer. Band 101: Aachen und nördliche Umgebung, Mechernicher Voreifel, Aachen-Südlimburger Hügelland und westliche Niederrheinische Bucht, viii + 214 pp. (ISBN 978-3-443-15087-7), € 25,90.

Band 100 is, grofweg, gewijd aan het gebied tussen Aken, Eupen, Malmédy en Schleiden, terwijl Band 101 dat tussen Aken, Mechernich, Jülich en Maastricht beschrijft. In totaal dus 574 pagina’s en daardoor bijna dubbel zo dik dan de oude versie. Behalve de tweedeling en het grotere aantal bladzijden vallen bij een eerste vluchtige doorbladeren vooral twee dingen op. Ten eerste zijn in de nieuwe boeken in het midden veel kleurenfoto's opgenomen:102 stuks in Band 100 (+ 122 z/w afbeeldingen) en 77 in Band 101 (+ 76 z/w afbeeldingen). De oude publicatie is geheel zwart/wit en bevat vrijwel geen foto's. Door de kleurenfoto's wordt sneller visueel interesse gewekt, wat er ook toe kan leiden dat men delen van de boeken nader bekijkt die men in eerste instantie misschien als minder interessant beschouwt. De link tussen foto's en tekst is meestal door de vermelding van het excursiepunt heel duidelijk, soms echter helaas niet gegeven. Ze hebben alle een kort onderschrift, maar de volgorde is mij niet duidelijk geworden. Ten tweede zijn er, in tegenstelling tot de voorgaande publicatie, geen uitklapbare kaarten en grafieken meer opgenomen. Dit maakt de boeken robuuster en daardoor geschikter om mee op pad te nemen, wat door het formaat van 19,5 x 13,5 cm (niet verandered ten opzichte van het oude) zeer goed mogelijk is. Een klein nadeel is echter dat een grotere overzichtskaart ontbreekt; kleinere kaarten zijn er echter wél. Er wordt ook duidelijk aangegeven welke geologische en topografische kaarten de besproken gebieden bestrijken. De boeken hebben een zachte, geplastificeerde kaft.

Dat deze boeken vooral bedoeld zijn om mee op stap te gaan blijkt naast de titel ook duidelijk uit de inhoudelijke opzet. Richter’s boek had ook al dit doel, maar de algemene hoofdstukken vulden 178 bladzijden, in tegenstelling tot de 80 die de excursies beschrijven, en zijn vooral naar geologische systematiek ingedeeld. Ook de daar beschreven excursies volgen in grote lijnen deze indeling. Walter heeft grotendeels voor een andere aanpak gekozen. De indeling van de boeken is vooral geografisch, waarbij de opeenvolging van de beschreven gebieden wel grotendeels op bijeenhorende geologische eenheden gebaseerd is, waarbij een overlap natuurlijk niet uit te sluiten is. Zo beschrijft hij in Band 100 het zuidelijke Akense gebied waar vooral de lagen tot het Krijt voorkomen en in Band 101 het noordelijke waar vooral Krijt en jongere lagen dagzomen. Hierbij beschrijft hij in het algemene deel met name de geologische ontwikkelingen in bepaalde gebieden zodat men hiervan een indruk krijgt in plaats van een algemeen geologisch systematisch overzicht. De excursies zijn geheel geografisch ingedeeld wat als voordeel heeft dat men een bepaald gebied kan selecteren voor een bezoek. In pagina’s uitgedrukt ziet dat er als volgt uit: Band 100 met 97 algemene, 28 foto- en 217 excursiebladzijden (12 excursies); Band 101 met 58 algemene, 22 foto- en 120 excursiebladzijden (7 excursies). Deze grote verschuiving van het aantal bladzijden van algemeen naar excursie is enerzijds het gevolg van het grote aantal excursiepunten dat beschreven wordt maar ook vanwege het feit dat er vaak een uitgebreidere uitleg staat. Er wordt bij wijze van spreken veel ter plekke uitgelegd waardoor de informatie ook meer binding met de te bezoeken locaties heeft. Waar Richter nog routes beschrijft die men volgt en hierbij zelfs tekstpassages als ‘Zurück zum Bus und Weiterfahrt’ gebruikt, kiest Walter voor een andere aanpak. Bij elk excursiegebied is een kaartje afgebeeld met de diverse exursiepunten die alle naast de beschrijvende tekst een korte omschrijving en geo-coördinaten hebben waarmee ze gelocaliseerd kunnen worden. De volgorde is wel grotendeels zoals ze goed te bereiken zijn; hij heeft echter bewust geen dagetappes vastgelegd. Men kan zelf een interessegebied en de verschillende excursiepunten uitzoeken. Dit komt ook meer overeen met de praktijk: al naar gelang de interesse zal men verschillend lang op een bepaalde plek willen blijven en daardoor zijn routes die door iemand gepland zijn meestal niet bruikbaar. Walter schrijft over ‘Exkursionen’ en ‘Route’, waar hij beter ‘Exkursionsgebiete’ en ‘Exkursionspunkte’ had kunnen gebruiken omdat dit door de (volgens mij zinvollerwijze) niet aanwezige routebeschrijvingen de inhoud van het excursiedeel beter beschrijft. Doordat diverse excursiegebieden aan elkaar grenzen en deels overlap vertonen, zal men bij een gepland bezoek aan een gebied eerst moeten kijken welke excursiepunten van welke excursiegebieden in aanmerking komen. Men zal dus bij een excursiegebied-overschrijdend bezoek de excursiepunten die bezocht worden op een topografische kaart in moeten tekenen om een overzicht te hebben. Hierbij helpen de aanwezige kaartjes en is het vooral gemakkelijk dat de excursiepunten allemaal een eigen korte code hebben die men bij zelf ingetekende punten kan noteren, waardoor ze vlot in de boeken terug te vinden zijn.

Band 101 bestrijkt ook uitgebreider dan voorheen het Limburgse gebied, maar deze beschrijvingen zullen bij een tweede druk, voor een deel, bewerkt moeten worden. Naast vele onbegrijpelijke redactionele missers, zoals zeer veel foutief geschreven plaatsnamen en een soms verwarrende spagaat tussen Nederlandse en Duitse versies van benamingen, vallen naast enkele onduidelijke omschrijvingen ook op.

Samenvattend maken de boeken dus een goede indruk en kan ik ze iedereen aanraden die eens in het betroffen gebied onderweg gaat en meer wil weten over de geologische geschiedenis ervan. De keuze voor gebiedsomschrijvingen met de nadruk op beschrijvingen van te bezoeken punten is een goede voor dit soort gidsen die voor het bezoek van de besproken plekken dienen. Ze beschrijven een gebied dat geologisch zeer interessant is en ook in overzienbare tijd te bereiken is en daardoor uitnodigend zijn voor een bezoek. De beschreven boeken zijn in de boekhandel te verkrijgen, maar ook direct via de uitgever (orders@schweizerbart.de). Nadere informatie, onder andere over de gedetailleerde inhoud ervan, is te vinden op www.schweizerbart.de

Rudi W. Dortangs

sprekende bodem Jaargang 54, nummer 2, 2010, p. 55-57
Inhaltsverzeichnis
top ↑
Einführung

1. Das Exkursionsgebiet 1
2. Das Mechernicher Triasdreieck 4
3. Die Aachen-Maastrichter Kreidetafel 18
4. Die westliche Niederrheinische Bucht 39

Farbbilder

Exkursionen

1. Die Nideggen-Route (ni) 81
2. Die Mechernich-Route (Me) 94
3. Die Aachen-Gulpen-Route (Ag) 108
4. Die Valkenburg-Maastricht-Route (Vm) 129
5. Die Limburger Börde-Route (Lb) 154
6. Die Jülicher Börde-Route (Jb) 169
7. Die Zülpicher Börde-Route (Zb) 186

Stichwortverzeichnis 201

Ortsverzeichnis 209