Aachen und südliche Umgebung
Nordeifel und Nordost-Ardennen
2010. VIII , 360 Seiten, 122 Abbildungen, 102 Farbbilder , 20x14cm, 600 g
Language: German
(Sammlung geologischer Führer, Band 100)
ISBN 978-3-443-15086-0, brosch., price: 29.90 €
in stock and ready to ship
Inhaltsbeschreibung
Rezension: sprekende bodem Jaargang 54, nummer 2, 2010
Inhaltsverzeichnis
Die Region um Aachen am Dreiländereck Deutschland–Belgien–Niederlande weist eine besonders vielseitige geologische Ausstattung auf. Dieser neue geologische Führer über Aachen und seine südliche Umgebung vermittelt einen Einblick in die Gesteinswelt und die geologische Struktur des paläozoischen Grundgebirgsstockwerks der Nordeifel und der angrenzenden Nordost-Ardennen.
Einer Einführung in die Grundzüge der Geologie der Region folgt die Beschreibung von 12 Exkursionsrouten. Einführung und die Beschreibungen der Exkursionspunkte sind durch Kartendarstellungen, Tabellen und Profilskizzen ausführlich illustriert. Ein umfangreicher Farbbildteil ergänzt den Inhalt. Am Ende des einführenden Kapitels finden sich Hinweise auf weiterführende Literatur. Für jede Route sind die passenden topographischen und geologischen Karten genannt. Das Aufsuchen der einzelnen Exkursionspunkte wird durch Übersichtskarten, Kurzbeschreibungen des Zugangs und durch die Angabe ihrer Geokoordinaten erleichtert.
Der Band informiert über Aufschlusslokalitäten, an denen die Gesteine, ihre Fossilien und der Strukturbau des geologischen Untergrunds studiert werden können, und die auf diese Weise Aufschluss geben über den geologischen Werdegang der Region. An ausgewählten Aussichtspunkten erläutert er den unmittelbaren Zusammenhang zwischen dieser erdgeschichtlichen Entwicklung und dem heutigen Landschaftsbild. Ausführlich wird die Nutzung der geologischen Ressourcen der östlichen Euregio Maas-Rhein durch den Menschen dargestellt. Dieser Band wendet sich nicht nur an professionelle Geowissenschaftler und Studierende der Geowissenschaften. Zielgruppe sind auch an der Landschaft interessierte Wanderer und Spaziergänger.
Der Autor Roland Walter ist emeritierter Universitätsprofessor für Geologie und Paläontologie am Geologischen Institut der Rheinisch Westfälischen Technischen Hochschule (RWTH) Aachen und Autor der Geologie von Mitteleuropa.
Walter, R. (2010a). Sammlung Geologischer Führer. Band 100: Aachen und südliche Umgebung, Nordeifel und Nordost-Ardennen, viii + 360 pp. (ISBN 978-3-443-15086-0), € 29,90.
Walter, R. (2010b). Sammlung Geologischer Führer. Band 101: Aachen und nördliche Umgebung, Mechernicher Voreifel, Aachen-Südlimburger Hügelland und westliche Niederrheinische Bucht, viii + 214 pp. (ISBN 978-3-443-15087-7), € 25,90.
Band 100 is, grofweg, gewijd aan het gebied tussen Aken, Eupen, Malmédy en Schleiden, terwijl Band 101 dat tussen Aken, Mechernich, Jülich en Maastricht beschrijft. In totaal dus 574 pagina’s en daardoor bijna dubbel zo dik dan de oude versie. Behalve de tweedeling en het grotere aantal bladzijden vallen bij een eerste vluchtige doorbladeren vooral twee dingen op. Ten eerste zijn in de nieuwe boeken in het midden veel kleurenfoto's opgenomen:102 stuks in Band 100 (+ 122 z/w afbeeldingen) en 77 in Band 101 (+ 76 z/w afbeeldingen). De oude publicatie is geheel zwart/wit en bevat vrijwel geen foto's. Door de kleurenfoto's wordt sneller visueel interesse gewekt, wat er ook toe kan leiden dat men delen van de boeken nader bekijkt die men in eerste instantie misschien als minder interessant beschouwt. De link tussen foto's en tekst is meestal door de vermelding van het excursiepunt heel duidelijk, soms echter helaas niet gegeven. Ze hebben alle een kort onderschrift, maar de volgorde is mij niet duidelijk geworden. Ten tweede zijn er, in tegenstelling tot de voorgaande publicatie, geen uitklapbare kaarten en grafieken meer opgenomen. Dit maakt de boeken robuuster en daardoor geschikter om mee op pad te nemen, wat door het formaat van 19,5 x 13,5 cm (niet verandered ten opzichte van het oude) zeer goed mogelijk is. Een klein nadeel is echter dat een grotere overzichtskaart ontbreekt; kleinere kaarten zijn er echter wél. Er wordt ook duidelijk aangegeven welke geologische en topografische kaarten de besproken gebieden bestrijken. De boeken hebben een zachte, geplastificeerde kaft.
Dat deze boeken vooral bedoeld zijn om mee op stap te gaan blijkt naast de titel ook duidelijk uit de inhoudelijke opzet. Richter’s boek had ook al dit doel, maar de algemene hoofdstukken vulden 178 bladzijden, in tegenstelling tot de 80 die de excursies beschrijven, en zijn vooral naar geologische systematiek ingedeeld. Ook de daar beschreven excursies volgen in grote lijnen deze indeling. Walter heeft grotendeels voor een andere aanpak gekozen. De indeling van de boeken is vooral geografisch, waarbij de opeenvolging van de beschreven gebieden wel grotendeels op bijeenhorende geologische eenheden gebaseerd is, waarbij een overlap natuurlijk niet uit te sluiten is. Zo beschrijft hij in Band 100 het zuidelijke Akense gebied waar vooral de lagen tot het Krijt voorkomen en in Band 101 het noordelijke waar vooral Krijt en jongere lagen dagzomen. Hierbij beschrijft hij in het algemene deel met name de geologische ontwikkelingen in bepaalde gebieden zodat men hiervan een indruk krijgt in plaats van een algemeen geologisch systematisch overzicht. De excursies zijn geheel geografisch ingedeeld wat als voordeel heeft dat men een bepaald gebied kan selecteren voor een bezoek. In pagina’s uitgedrukt ziet dat er als volgt uit: Band 100 met 97 algemene, 28 foto- en 217 excursiebladzijden (12 excursies); Band 101 met 58 algemene, 22 foto- en 120 excursiebladzijden (7 excursies). Deze grote verschuiving van het aantal bladzijden van algemeen naar excursie is enerzijds het gevolg van het grote aantal excursiepunten dat beschreven wordt maar ook vanwege het feit dat er vaak een uitgebreidere uitleg staat. Er wordt bij wijze van spreken veel ter plekke uitgelegd waardoor de informatie ook meer binding met de te bezoeken locaties heeft. Waar Richter nog routes beschrijft die men volgt en hierbij zelfs tekstpassages als ‘Zurück zum Bus und Weiterfahrt’ gebruikt, kiest Walter voor een andere aanpak. Bij elk excursiegebied is een kaartje afgebeeld met de diverse exursiepunten die alle naast de beschrijvende tekst een korte omschrijving en geo-coördinaten hebben waarmee ze gelocaliseerd kunnen worden. De volgorde is wel grotendeels zoals ze goed te bereiken zijn; hij heeft echter bewust geen dagetappes vastgelegd. Men kan zelf een interessegebied en de verschillende excursiepunten uitzoeken. Dit komt ook meer overeen met de praktijk: al naar gelang de interesse zal men verschillend lang op een bepaalde plek willen blijven en daardoor zijn routes die door iemand gepland zijn meestal niet bruikbaar. Walter schrijft over ‘Exkursionen’ en ‘Route’, waar hij beter ‘Exkursionsgebiete’ en ‘Exkursionspunkte’ had kunnen gebruiken omdat dit door de (volgens mij zinvollerwijze) niet aanwezige routebeschrijvingen de inhoud van het excursiedeel beter beschrijft. Doordat diverse excursiegebieden aan elkaar grenzen en deels overlap vertonen, zal men bij een gepland bezoek aan een gebied eerst moeten kijken welke excursiepunten van welke excursiegebieden in aanmerking komen. Men zal dus bij een excursiegebied-overschrijdend bezoek de excursiepunten die bezocht worden op een topografische kaart in moeten tekenen om een overzicht te hebben. Hierbij helpen de aanwezige kaartjes en is het vooral gemakkelijk dat de excursiepunten allemaal een eigen korte code hebben die men bij zelf ingetekende punten kan noteren, waardoor ze vlot in de boeken terug te vinden zijn.
Band 101 bestrijkt ook uitgebreider dan voorheen het Limburgse gebied, maar deze beschrijvingen zullen bij een tweede druk, voor een deel, bewerkt moeten worden. Naast vele onbegrijpelijke redactionele missers, zoals zeer veel foutief geschreven plaatsnamen en een soms verwarrende spagaat tussen Nederlandse en Duitse versies van benamingen, vallen naast enkele onduidelijke omschrijvingen ook op.
Samenvattend maken de boeken dus een goede indruk en kan ik ze iedereen aanraden die eens in het betroffen gebied onderweg gaat en meer wil weten over de geologische geschiedenis ervan. De keuze voor gebiedsomschrijvingen met de nadruk op beschrijvingen van te bezoeken punten is een goede voor dit soort gidsen die voor het bezoek van de besproken plekken dienen. Ze beschrijven een gebied dat geologisch zeer interessant is en ook in overzienbare tijd te bereiken is en daardoor uitnodigend zijn voor een bezoek. De beschreven boeken zijn in de boekhandel te verkrijgen, maar ook direct via de uitgever (orders@schweizerbart.de). Nadere informatie, onder andere over de gedetailleerde inhoud ervan, is te vinden op www.schweizerbart.de
Rudi W. Dortangs
sprekende bodem Jaargang 54, nummer 2, 2010, p. 55-57
1. Das Exkursionsgebiet 1
2. Geologische Übersicht 3
3. Das Altpaläozoikum des Stavelot-Venn-Massivs 9
4. Das Unterdevon nördlich des Stavelot-Venn-Massivs 17
5. Das Unterdevon südlich des Stavelot-Venn-Massivs 23
6. Das Mitteldevon und Oberdevon im nördlichen Vorland
des Stavelot-Venn-Massivs 31
7. Das Mitteldevon und Oberdevon der nördlichen
Eifeler Nord-Süd-Zone 44
8. Das Unterkarbon im nördlichen Vorland
des Stavelot-Venn-Massivs 50
9. Das Oberkarbon im nördlichen Vorland
des Stavelot-Venn-Massivs 56
10. Das variszische Strukturbild und die variszische
Metamorphose 68
11. Die postvariszische Entwicklung 80
12. Das heutige Bild 85
Farbbilder 98
Exkursionen
1. Die Wurmtal-Route (Wu) 126
2. Die Göhltal-Route (Gö) 139
3. Die Vichttal-Route (Vi) 153
4. Die Indetal-Route (In) 180
5. Die Wesertal-Route (Ve) 196
6. Die Wehebachtal-Route (We) 214
7. Die Hohe Venn-Route (Hv) 228
8. Die Kalltal-Route (Ka) 245
9. Die Rurtal-Route (Ru) 260
10. Die Urfttal-Route (Ur) 288
11. Die Oleftal-Route (Ol) 312
12. Die Warchetal-Route (Wa) 328
Stichwortverzeichnis 343
Ortsverzeichnis 356